Het tweede interview nam ik af bij Janne, het meisje uit de
derde kleuterklas. Het interview werd ook bij haar thuis afgenomen. Ze kende me
niet en daarom was ze heel onwennig. Het meisje was beschaamd en durfde niet
veel zeggen. Toen haar mama in de buurt was, voelde ze zich comfortabeler. Hier
nam ik dezelfde enquête af als bij Emma, maar Janne kreeg maar drie vragen:
- Wie van de drie is een meester?
- Wie van de drie woont in een groot huis?
- Wie van de drie heeft zwarte schoenen aan?
Ik las de vragen luidop en Janne luisterde goed. Ze keek
heel verrast naar mij toen ze de fragmenten hoorde. Ik herhaalde de vragen nog
eens en meteen gaf ze een antwoord op de eerste vraag. De overige twee vragen
liet ze onbeantwoord, omdat ze dit niet had gehoord. Ik liet Janne de
fragmenten nog eens beluisteren en toen kon ze wel gemakkelijk een antwoord
formuleren. De tekst die de man voorlas, was voor het meisje onverstaanbaar.
Dit was ook de reden waarom ze zomaar een verkeerd antwoord gaf. Janne moest
lachen toen ze het fragment in de tussentaal en in het dialect hoorde. Zij
verkoos het fragment in het AN, omdat ze dit de ‘mooiste’ taal vond. Blijkbaar
vormde Janne een mening over de verschillende vormen van taal.
Na de enquête vertelde ik dat er geen foutieve antwoorden
mogelijk waren. Ze vroeg: “Waarom neem je dan deze enquête af?”. Ik vertelde
dat dit een opdracht was voor school. Ik moest nagaan of de leerlingen, bij wie
ik de enquête afnam, een mening vormden over taal. Daarnaast moest ik afleiden
hoe leerlingen denken over taal. Via deze enquêtes is dit goed gelukt.
Zo zie je maar … Er bestaan verschillende talen, maar dit
zegt niets over de omgeving van mensen. Zowel Emma als Janne hadden
vooroordelen, want ze dachten hoe deftiger iemand praat, hoe groter het huis
waarin deze persoon woont.

Geen opmerkingen:
Een reactie posten